Catharsis

Loutering en reiniging

Er loopt in de heuvels een rusteloos mens.
Een poëet met een heel zware last,
Zijn blik strak vooruit – er is geen weg terug,
Zijn tred wordt al zwaar en onvast.

Waarom is deez’ dichter dan zover van huis,
Verliet hij zijn kroeg en zijn vrinden?
Of is hij verstoten en vreest het gespuis,
Dat pogingen doet hem te vinden?

De tijden zijn immers zeer moeilijk voor hem,
Die zijn brood moet verdienen met dichten.
Het plebs, ja, dat huivert, en vreest zijne stem,
Als hij daarmee onrust gaat stichten.

Ach nee, lieve mensen, ’t is niets van dat al,
Die dichter ben ik en dus weet:
Ik ben op de loop voor een liefdesgeval
En de grond in de stad werd te heet.

’t Was zij die mij riep met haar stralende blik
En een mondje zo fijn als de maan.
’t Was óók zij die riep: ‘Ach klerevent, stik!
‘k Sla je dood als je nu niet zult gaan!’

Dus ben ik vertrokken en loop in het rond,
Omhoog en omlaag, langs ravijnen;
Mijn lijf raakt vermoeid, maar mijn geest wordt gezond
En zint weer op nieuwe kwatrijnen.

Mark Sluiter