De fiets naar Meppel

Voor mijn moeder

Langs weiden met vee en akkers vol graan
Vanaf het Oosteinde langs Haakswold gegaan,
Waar bij ’t Chinees huisje je vriendin afgehaald
Waarna al kletsend je gedachten afgedwaald
Je fietste langs Tweeloo op weg naar de les
In ’t statige pand van de Rijks –HBS.

En later de oorlog, een bom viel in de sloot,
Jullie bleven in leven, de varkens vielen dood.
Je zuster vertelde, want ons zei je niets,
Hoe je ‘s avonds vaak weg was in de weer op de fiets
Met bonnen voor onderduikers verstopt in ’t gewas,
Of achterop een Engelse vlieger die neergestort was.

En fietsend door Meppel zo kon je me later tonen,
Waar al je joodse vriendinnen mochten wonen;
De Levis, de Wolffs, het meisje van Kats, maar zonder pardon
Verdwenen velen die nacht in oktober via het station.
Je vrienden op Stationsstraat gemarteld maar nooit gezwicht,
Ach zei je, typisch Drents, je deed gewoon je plicht.

Je kon je later zo verbazen over het teloorgaan van de stad,
De Swaenenborgh, of de Amsterdamse school op het Noordeinde,
Waar je nieuwe generaties voorbereidde op het levenspad,
Maar nu een ijsfabriek het pand sterk ondermijnde,
Alsof schoonheid geen grip meer op het leven had.

De vreugd die je in de laatste jaren van je leven kon halen
Zien je schaterend met je kleindochter achterop de fiets.
Je leerde haar lezen en vertelde mooie verhalen
Over het spelen bij Tavenu of fantasieën over niets.
Alleen al haar glimlach die deed je weer stralen.

Zo is de fiets de verbinding tussen afstanden en mensen
Tussen tijden, generaties en culturen, tussen jou en mij.
Je leerde ons allen het leven zonder grenzen
Met respect voor een ieder, je naaste in de maatschappij.
Zo blijf je verder leven met al je mooie wensen….

Vergeet niet dat je immers twee keer leeft bij mijn weten
De ene keer als je leeft en de an’dre tot je bent vergeten…

Mark Sluiter