De Reest in de lente

Het smeltwater stroomt door de bedding
En neemt alles wat verstopt was mee.
Al wat dood was komt weer tot leven
Het meanderen als bal masqué.

De merel, de zanglijster, de veldleeuwerik
Bejubelen de schoonheid van de creatie
En brengen een meerstemmige aubade
Een luide, oprecht-heldere ovatie.

Het landgoed Dickninge wordt paradijs
Met velden holwortels als bloeiend leven,
Wier narcosegaven al voor eeuwen
Biddende monniken rust hebben gegeven.

Boswilgen, hazelaar, es, en populier
Vertonen ontluikende schone pracht
En met name de sleedoorn laat zich kennen
Door een witte bloemen sluierdracht.

Ooievaars zwieren statig door de hemel
Met takken voor nesten in de bek.
Klauwieren houden scherp de wacht
Als lanius op zoek naar lekkere trek.

Zo is de lucht zwanger van klanken en geuren
Ontluiken de draadrus en grote pimpernel,
Krioelen de muizen, de mollen en emelten
En ontwijken de dassen in het levensspel.

En de mens loopt langs de velden en beken,
De bloeddruk omlaag, het melkzuur verdwenen
En plukt een stuifmeelkatje van de struiken
Die net als de bosanemoon uit het niets is verschenen.