De uil van Minerva verkracht

Toen dan nu de in de morgenstond geboren
Rozevingerige dageraad begon te gloren
En de Notos zacht opstak van over de dalen
Kon de geest van Homeros weer gaan verhalen:

Bleek de Boreas verdwenen in het duist’re gruis,
En joegen de dochters van de aegisdragende Zeus
Tevergeefs op hen die in het holst van de nacht
De alziend wijze uil van Athene hadden verkracht.

Het schuim der natie had haar gestolen,
Geïncarneerde schoonheid uit Epopeus verwekt,
Wiens alziend oog, gelijk een hop verscholen,
Niet zag hoe een bloed’rige schande toe werd gedekt.

En dat simpel voor louter politisch gewin,
Als een uil op de tetradrachme verbeeld,
Met een enk’le stinkende retorische zin
Kon de drang naar roem niet sterker verbeeld.

Door de glaux te schenden zonder eenig genade
Gevolgd door een platte groteske hossade,
Bleek uit dit walgelijk stotend gegraai
De aloude wraak van Corvus Cornix, de kraai.

Want diens plannen waren immers onverdroten
De uil van Minerva voor immer te verstoten.
En het grijs van de natie, de heffe van ’t volk
Laat zich nu dan weer leiden door Boreas dolk.

Maar ooit zal esthetiek weer zegevieren,
En gelijk in Daphne een laurier verscheen,
Zo zal als al and’re schone metamorfosen
De rozevingerige Aurora spoedig weer blozen.