Ziek lam

Voor het eerst in zijn leven op zijn zij,
een groot oog, een kleine hoorn in de modder.
Zijn iele poten zwaaien in de lucht, spichtig
als vingers. Op de rand van de dood zwijgt hij
aarzelend, als Jezus voor Pilatus.

Lichtgewicht, een kind van dit jaar dat de zon
ziet verschrompelen in de kille wind.
Ik draag hem naar stal, de jonge dood
zwaar op mijn schouder, een geur van heiligheid
en pis in zijn volmaakte, warme vacht.

Hij drinkt zijn melk luidruchtig, geeft
geen kik als ik de modderkroon
van zijn kop veeg. Lam gods, als ik je
niet gezien had. In de halfdonkere stal
lichten zijn ogen spookachtig blauw op.