Ode aan de strijders

Ze zullen gaan, altijd maar gaan,
Waar strijd en oorlog woeden,
Waar onrecht hen ooit aangedaan,
Hun ziel en hart deed bloeden.

Ze waren plots op pad gegaan,
Vertrouwend op de sterren,
Zacht stralend langs azuren baan,
Bakens verlicht van verre.

En door de dromerige dag,
In lome lentezonne licht,
Laat de vallei hun stappen zien
Geplette viooltjes door gewicht.

En waar het volk in huiver wacht
Daar voeren zij hun strijd.
Geen troost of liefde die verzacht,
Enkel de dood die scheidt.

En lopend over dat oorlogsveld
Zal eenieder ook nu erkennen,
De onrust die de keel beknelt,
Luchten zwanger van verveine.

Waar klaprozen van vergank’lijkheid
De eeuwige slaap bekronen
En de gouden gloed der guichelheil
Een bete vergif’nis mag tonen,

Waar lelietjes-van dalen,
In prille ochtenddauw,
Hun tranen plengen vol verhalen
Brengers van heil, licht en berouw,

Daar zullen zwarte wijze raven,
Hoeders van de eeuwigheid,
Bij de rand der namenloze graven,
Respect betonen aan deze strijd,

Die eeuwig voortgaat langs de baan.
Ze zullen gaan, altijd maar gaan,
Hun jonge levens laten gaan
Om onrecht óns ooit aangedaan.

Mark Sluiter
Stadsdichter Meppel
4 mei 2018